Zij is altijd soms


Vrouwelijke gestalten van compassie

Ton Lathouwers


categorieën:   Boeddhisme en het Westen / Symboliek / Oosterse filosofie / Religie algemeen
isbn: 9789056703486
uitvoering: paperback
aantal pagina's: 216
druk: 2
verschijningsdatum: 26 mei 2015
status:  Leverbaar
prijs: € 19,95

In ‘Zij is altijd soms’ doet de bekende zenleraar Ton Lathouwers een indringend verslag van zijn zoektocht naar vrouwelijke symbolen van genade, erbarmen en mededogen in religie, literatuur, kunst en volksgeloof. Van Kuan Yin tot de Joodse Sjechina, overal volgt hij haar sporen; sporen die alle vormen kunnen aannemen om anderen te redden, tot in de duisternis van Gods afwezigheid in de vernietigingskampen aan toe.

Met dit hoopgevende boek beoogt de auteur recht te doen aan de betekenis van het vrouwe­lijke, juist waar dit, zowel in de religieuze symboliek als in de religieuze organisatie, nog altijd een achterstand heeft in te lopen. Hij beschrijft hoe deze compassie altijd weer haar uitdrukking vindt in vrouwelijke, goddelijke gestalten die dan ook centraal staan in zijn speurtocht.

Zij is altijd soms’ is een indrukwekkende en tegelijk bemoedigende getuigenis van een zenleraar over zijn eigen levenslange omgang met het vrouwelijke.

 

De eerste druk van Zij is altijd soms is in mei 2015 gepresenteerd op een speciale Pinkster Happening in De Nieuwe Liefde in Amsterdam. – zie de recensie van Annemiek Schrijver.

 

J. Hodenius; NBD/Biblion 31 augustus 2015

Zij is altijd soms: over vrouwelijke gestalten van compassie / Ton Lathouwers: met een ten geleide van Manuela Kalsky; redactie Joris Capenberghs - Eerste druk.

Deze publicatie van de professor Slavische talen en Letterkunde, zenleraar Chinese Rinzai Chan en grondlegger en leidsman van Maha Karuna (een informeel samenwerkingsverband tussen een aantal zengroepen in Vlaanderen en Nederland) is een essayboek over wat hij ‘de vrouwelijke gestalten van compassie’ noemt. Hij behandelt verschillende vormen van dit universeel, maar vaak onderbelicht, thema. Net als eerder werk (Meer dan een mens kan doen, De moed tot het onmogelijke) verbindt hij het met teksten uit de religieuze tradities (met nadruk op de boeddhistische en joods-christelijke traditie: voorop Kuan Yin, Sophia, Moeder Gods, de Sjechina uit de joodse mystiek, met sporen ervan in de literatuur (J.W. Goethe, A. Blok, F. Dostojevski, M. Yourcenar, H. Broch, C.N. Bialik, Sinjawski). Het vrouwelijk mededogen wordt pas dan je deel, als je de bodem van de afgrond hebt bereikt. Van haar kant belooft ze iedereen te verlossen, zelfs de door God vergetenen in de hel. De deskundige auteur citeert weer uitvoerig, wat inspirerend leesvoer oplevert. Een in New Age en theologie actueel thema. Met bibliografie en namenregister.

Lisette Thooft 28 mei 2015

Ton Lathouwers (83) is zenboeddhist maar eigenlijk Multiple Religious Belonger. Hij schreef een prachtig boek, Zij is altijd soms, een bloemlezing van teksten met commentaar over vrouwelijke symbolen van compassie: Kwan Yin in het boeddhisme, de God-barende in het christendom, de Sjechina in het Jodendom. Er is iets dat luistert naar ons roepen in de nood, en dat iets heeft een vrouwelijk gezicht.

Waarom dit boek?
“Centraal in het boek staat waar ik zo van onder de indruk ben: hoeveel er om hulp geroepen wordt door de mensheid. Hoeveel schreeuwen om uitkomst er is. De Franse schrijfster Marguerite Duras schrijft ergens: ‘probeer het je eens voor te stellen, al die miljoenen handen van de mensheid die worden uitgestrekt in nood. Naar wat roepen ze, wie roepen ze? Is er hulp? Niemand weet het. Roepen ze naar de leegte? Naar God?’
Dat roepen ligt ook vervat in de naam Kwan Yin, want dat betekent letterlijk: ‘zij die luistert naar het roepen’. En het belangrijkste is: ja, er wordt geluisterd naar ons roepen. In elke religie komt dat tot uitdrukking. Maar waarom wordt degene die luistert gezien als een vrouwelijke gestalte? Waar je ook komt in de wereld, als er in een kerk of tempel zeven kaarsen worden gebrand voor Christus of voor Boeddha, dan staan daar zeventig kaarsen voor de moeder Gods of Kwan Yin tegenover. Er is blijkbaar een weten van het menselijk hart, dat je met je nood toch allereerst bij een moederfiguur terecht kunt. De vrouwelijke gestalten laten deze verbondenheid met compassie zien.”
Maar hoezo een gestalte? We hadden God met de baard op de wolk toch weggedaan, waarom nu een vrouwelijke godin?
“Nee, het gaat niet om godinnen. Ooit leerde ik van mijn vroegere hoogleraar godsdienstpsychologie Han Fortmann: mensen zijn symbolische wezens. Wij hebben symbolen nodig. We gebruiken natuurlijk ook abstracte begrippen wanneer we het hebben over compassie. Maar laten we eerlijk zijn: niemand die in nood zit roept ‘O grote leegte: help mij! O absolute werkelijkheid, help mij!’. Nee, dan roep je tot een persoon, een gelaat.
Natuurlijk is degene die aangeroepen wordt dan een symbool. Maar een symbool drukt wel degelijk iets uit van de werkelijkheid, van een Aanwezigheid, zoals Fortmann het noemt, die dieper reikt dan met gewone taal kan worden weergegeven. Daarom bestaat er ook kunst, want ook kunst reikt, juist als het symbool, dieper in de werkelijkheid.
Ook vanuit het boeddhisme wordt er dikwijls op gewezen hoe belangrijk de taal van symbolen en gestalten is. Juist om uit te drukken dat hetgene of degene die luistert naar onze smeekbeden een levende werkelijkheid of aanwezigheid is. Er is blijkbaar een diep weten van het menselijk hart dat wat we roepen, gehoord wordt in liefde en mededogen.”
Is dat dan zoiets als de persoonlijke kant van God?
“Er wordt meestal gezegd dat in het boeddhisme de diepste werkelijkheid onpersoonlijk is, terwijl die in het christendom vooral persoonlijk is in de gestalte van God. Maar grote boeddhistische denkers zoals Hisamatsu en mijn eigen leraar Masao Abe, de belangrijkste woordvoerder, in de dialoog met het christendom, zien dat anders. Abe zei altijd: in het boeddhisme is die ultieme werkelijkheid voorbij persoonlijk en onpersoonlijk. Allebei schieten die tekort als uitdrukking. Het is minstens óók persoonlijk, en tegelijkertijd is het meer. Een persoon is voor ons hart dichterbij.
En ja, die gestalte is vrouwelijk. In het boeddhisme wordt van de Boeddha’s gezegd dat ze voortkomen uit de ‘moederschoot van de diepste werkelijkheid’. Maar in de officiële hiërarchie wordt altijd het mannelijke over-benadrukt en dat klopt niet. Daarom is het nodig om het vrouwelijke meer naar voren te halen.”
Als er voor elke kaars voor Jezus tien kaarsen voor Maria branden, is er toch eerder overmacht aan de vrouwelijke kant?
“Niet in de officiële theologische verhandelingen, daar is de sfeer nog altijd patriarchaal. Eigenlijk wil ik met mijn boek allereerst mezelf wakker houden – dat ik blijf luisteren naar de noodkreten. Ten tweede wil ik alert blijven op het feit dat het toch altijd de moeder is die de barmhartigheid vertegenwoordigt. Er is een Chinees gezegde: de vader is streng, de moeder lankmoedig. Dat verschil tussen man en vrouw is er toch.”
Bij mij thuis was het andersom hoor…
“Dat heb ik van veel mensen gehoord. Er zijn inderdaad krengen van vrouwen, en fantastisch warme mannen, dat is helemaal waar. Fortmann benadrukt ook dat je het niet zwart-wit moet zien. Maar toch is er een verschil tussen de moederlijke en de vaderlijke houding.”
Sommige schrijvers die je citeert, vergelijken het negatieve van het mannelijke: destructief, overmeesterend – met het positieve van het vrouwelijke: koesterend, ieder in zijn waarde latend. Volgens mijn eigen onderzoek staat het symbool van de draak juist voor de verslindende begeerte van vrouwen.
“Ja, dat is bijvoorbeeld ook zo in Die Zauberflöte van Mozart. Kwan Yin wordt vaak staande op een draak afgebeeld. Maar in het Oosten is de draak eerder een positief symbool: ze beeldt de felle, vurige krachten van het universum uit.”
Een van de mooiste stukken in je boek vond ik het verhaal over de Indiase godin Kali die onthoofd wordt. Haar hoofd komt op het lichaam van een prostituée terecht en zij trekt hoererend door de wereld. Daar symboliseert het vrouwelijke dus ook het materiële, zinnelijke bestaan, de lagere instincten van de mens.
“Dat zie je ook bij de Russische dichter Alexandr Blok. Hij schrijft over wat hij de Schone Dame noemt als een lichtvolle gestalte, maar naderhand verandert zij in een gedaante die hij Astarte noemt; dan komen andere kanten ook aan bod, ook de donkere. Dat vind ik zo ontroerend – ook die duistere kant van de gestalte moet helemaal aanvaard en geïntegreerd worden.”
Het gaat dus niet alleen over het overstijgen van mannelijk en vrouwelijk, maar ook van goed en kwaad?
“Precies! Daarom ben ik zo blij met de dichters als Blok en ook Bialik verderop in mijn boek; die dat laten zien.”
Ander onderwerp. Vanwaar je pleidooi voor ethisch handelen in het boeddhisme? Schort er iets aan in dat opzicht?
“Dat wordt in het boeddhisme zelf dikwijls aan de orde gesteld. Mijn eigen leraar Masao Abe, de grote zenvernieuwer, en zijn leraar Hisamatsu wijzen erop dat het boeddhisme op de eerste plaats vooral gericht was op tot inzicht komen. Dat ethische gericht zijn op de ander was kennelijk een nieuwe stap die gezet moet worden, zoals het boeddhisme in de loop van zijn geschiedenis telkens nieuwe stappen zet. Het Theravada-boeddhisme kent helemaal weinig ethiek – daar gaat het vooral om het eigen verlicht worden. Pas in het Mahayana-boeddhisme, dat rond het begin van onze jaartelling ontstond, gaat het om betrokkenheid op iedereen. Maar dat was toch vooral een betrokkenheid alleen met het hart, die tot uitdrukking kwam in meditatie en innerlijke toewijding. In onze tijd komt nu ook sterker het besef naar voren dat je midden in de geschiedenis moet staan en daarin praktisch moet handelen, ook maatschappelijk.
Han Fortmann verwoordde het ooit zo: wij in het Westen zouden van het Oosten moeten leren om de diepte in te gaan, tot inkeer te komen. Maar het Oosten zou van het Westen het handelen moeten leren.”
Maar als je handelt vóórdat je verlicht bent, maak je brokken. Kunnen we niet beter eerst thuis een beetje van ons ego afkomen en daarna pas de wereld in gaan?
“Dan zouden we nooit meer tot handelen komen. Want we blijven onvolmaakte, gebroken, gewonde en geschonden mensen, allemaal. Hisamatsu pleit ervoor om het naast elkaar te doen, van meet af aan. Begin je meditatieve weg meteen met het kijken naar de ander, begin met compassie.”
Als ik bijvoorbeeld eerst wat wijzer was geworden voor ik kinderen kreeg, had ik minder fouten gemaakt…
“Dat hebben wij allemaal, ook grote zenmeesters in Japan die gezinnen hadden, ik ook. Het hoort erbij. Je zou het een soort erfzonde kunnen noemen, het doorgeven van fouten uit het verleden: we worden pas wakker als we die fouten al aan onze kinderen begaan hebben. En dat is niet rampzalig, want daar leren we van.”
Dus we moeten voort, brokken makend en struikelend…?
“Ja, en er is nog iets. Wat is nou mooier, dat je kunt zeggen ‘Ik heb mijn hele leven gemediteerd en ik heb alles goed gedaan’… Dan krijg je een schouderklopje: ‘ja, ja, je hebt het goed gedaan hoor’. Of dat je zegt: ‘Ik heb brokken gemaakt, ik heb zoveel niet gezien…’ en een ander – of de Ander – zegt: ‘Geeft niet jongen, geeft niet meiske. Kom maar hier, het is vergeven.’ Dat is veel ontroerender toch? Dát is Kwan Yin. Of je het nou vergeving noemt of compassie, het omsluit onze fouten. Dat is ook zo mooi in het verhaal van Kali. Het is niet erg dat we door het donker heen moeten. Geloof me, ik zeg het je uit de grond van mijn hart, met mijn 83 jaar. Het is wel pijnlijk, maar het is niet erg.”
En dat ideaal dan van de boddhisatva: die belooft alle wezens te zullen redden, dat is toch volstrekt onhaalbaar? Waarom blijft die gelofte toch overeind?
“Juist omdat het onhaalbaar is. Dat dwingt ons om een stap te doen die menselijkerwijze niet mogelijk is. Hisamatsu noemt dat: ‘Ga staan op een plek waar geen plek is om te staan.’ Dat is geloof, religie. Religie is niet teksten lezen en bidden, maar dat er iets gebeurt in ons hart. Ik heb zelf die machteloosheid ook gevoeld: hoe kan ik een gelofte uitspreken om alle wezens te redden? Ik kan soms mijn eigen kinderen niet eens helpen..! En desondanks spreek ik die gelofte uit. Hoe mijn leven daaraan bijdraagt, met al mijn mislukkingen, dat weten we niet. Dat is overgave… Ik doe mijn best, ik probeer het, en ik geef het over. En ik blijf de gelofte levend houden: ik wil elke keer weer zien hoeveel er geleden wordt, hoeveel er geroepen wordt. Het gaat erom dat ik niet inslaap. Zoals ik al zei – daarom heb ik het boek geschreven, om niet zelfgenoegzaam te worden en blind voor wat op me afkomt.”
Want intussen hebben we het wel erg comfortabel hier…
“Dat is het! Kijk, daar komt mijn vriendin Louise een kopje koffie brengen en een gebakje met slagroom. Ik zit in een warme kamer in een groot huis en een tuin, ik kijk uit op bomen – ik kan wel makkelijk praten over compassie! Dat wil ik blijven zien, het houdt me wakker. En dan probeer ik te kijken wat kan ik doen.”
Je bent wel heel duidelijk een MRB, een multiple religious belonger?
“Ja dat ben ik echt. Maar eigenlijk zijn wij dat allemaal wel een beetje – niemand is helemaal honderd procent van de officiële leer. We ontmoeten andere mensen, we lezen romans en boeken, en dat beïnvloedt ons. We worden opgeroepen tot een unieke manier van religie: er is geen tweede mens zoals jij. Ik ben boeddhist, doe boeddhistische rituelen, ik brand kaarsjes voor Kwan Yin en ik zing soetra’s. Maar ik ga ook naar Chèvetogne, naar de Russisch-orthodoxe kerk, ik ga ter communie, ik lees elke avond voor mijzelf het Salve Regina en het Veni Sancte Spiritus. Omdat ik dat een prachtig gebed vind.
De heilige geest heb ik in die laatste hymne voor mijzelf vertaald als een ‘Zij’. In de Oosterse kerken is de heilige geest vaak vrouwelijk. In mijn boek eindig ik dan ook met een gebed van de Koreaanse theologie Chung Hyun Kyung – een gebed tot Kwan Yin, die voor haar een uitdrukking is van de heilige geest.”
Dus Kwan Yin, de heilige geest, is in alles wat leeft?
“De heilige geest werkt in onze harten, in ieder van ons op een unieke manier.”
Waarschijnlijk werkt ze beter naarmate ik minder geremd ben door angst…
“Absoluut! Als er één woord in alle religies voorkomt, is het Noli timere: heb geen angst. In de Hartsoetra van het boeddhisme staat dat de diepe stap van ommekeer betekent dat je geen angst meer hoeft te hebben en dat je geen grenzen meer ervaart. Dus dat je nooit zegt: ‘Ik sta voor een muur en ik kan niet verder.’ Nee – altijd is alles nog mogelijk. Alleen weet je niet hoe. Maar hoe dan ook: geen angst. Geen schuldgevoel.”
Maar we zitten toch vol met angst?
“Och verschrikkelijk, ik ben met zoveel religieuze angsten opgevoed, het is een hel voor mij geweest. Op een cruciaal moment, een moment van wanhoop, heb ik gezegd: ‘Ik stort in, de wereld stort in, ik kan niet goed zijn…’ Ik voelde me zo verloren dat het me niet eens meer kon schelen, ik liet alles los wat heilig was, wat moraal was. Maar juist daaruit is toen tot mijn verbazing een diepe bevrijding gekomen – dat was een wonder. Het lijkt op het verhaal van Kali: je moet helemaal erkennen dat je niet altijd deugdzaam kunt leven, dat je niet altijd verlicht en zuiver kunt zijn. Dat kan niet. Maar desondanks komt het goed.
‘All shall be well,’ zegt Juliana van Norwich, een Engelse mystica uit de dertiende eeuw. Alles komt goed. En daarbij zegt ze nog iets heel belangrijks: ‘Sin is behovely’ – de zonde hoort erbij. Zonde moet er ook zijn. Maar dat zegt ook de Paashymne van de katholieke kerk, een prachtige tekst die juicht over de Opstanding. Daarin staan deze woorden: O felix culpa, o gelukkige schuld. Want het mysterie van liefde en vergeving is daardoor nog veel groter. Het gaat erom dat we uiteindelijk allemaal te horen krijgen: ‘Het is goed. Kom maar binnen.’”

Annemiek Schrijver 28 mei 2015

Ton Lathouwers heeft zijn leven lang de innerlijke noodzaak gevoeld op zoek te gaan naar vrouwelijke symbolen van genade, erbarmen en mededogen in religie, literatuur, kunst en volksgeloof. Zoals naar Moeder Aarde, naar Kuan Yin (de Maria van het Verre Oosten) en naar de Joodse Sjechina. Waarom juist naar die vrouwelijke uitingsvormen van erbarmen?
Iedere basiliek of kathedraal, waar ook ter wereld, geeft het antwoord: de meeste kaarsjes worden gebrand in het hoekje waar Maria staat. Niemand kan zonder moeder. Herman Finkers heeft dat ooit uitgelegd. Hij vroeg me of Jezus God is. Ja, zo heb ik dat gereformeerd geleerd. “Nou”, antwoordde Finkers, “dan is Maria dus de moeder van God. Alsof iemand zonder moeder kan!… Rare jongens, die protestanten…” hoorde ik hem binnensmonds mompelen toen hij hoofdschuddend wegliep.
De vrouwelijke gestalten van mededogen die Lathouwers in Zij is altijd soms beschrijft, blijken alle mogelijke vormen aan te kunnen nemen om anderen te redden. Het kan de melkboer zijn, je collega, je kind, maar ook je medegevangene. Lathouwers schrijft dat Kuan Yin met je mee loopt tot in de duisternis van Gods afwezigheid, tot in de vernietigingskampen aan toe. Ze is van harte bereid met je naar de bliksem te gaan. Aan Pinksteren gaat niet alleen Hemelvaart vooraf, maar ook Hellevaart.
Niemand mag verloren gaan. Die wens heeft Ton Lathouwers al in zijn hart gevoeld toen hij nog heel jong was en het lijden van de vervloekte Judas waarnam.
“Zolang er levende wezens bestaan, beloof ik ze te bevrijden”, is de telkens terugkerende mantra van Kuan Yin, de vrouwelijke gestalte van ontferming. Voor dat doel heeft zij zoveel geduld, dat ze bereid is om met een vingerhoed de zeeën leeg te scheppen.
Mooi hè? Hartstikke mooi. Maar wat kunnen wij daarmee? Moeten wij dezelfde erudiete speurtocht als Lathouwers afleggen om onvoorwaardelijke liefde te vinden? Nee natuurlijk. Het mooie van het boeddhistische pad dat Lathouwers al zo lang loopt, is dat wij allen zelf aan den lijve ervaren kunnen wat compassie is. We kunnen hier en nu de liefde laten stromen. Wat let ons? We zijn hier nu toch.
Laten we onze ogen even sluiten.
Breng een herinnering tot leven waarin iemand je vol aandacht/mededogen/liefde aankeek. Die ene blik… dat je helemaal gezien werd. Toen je echt aan het licht mocht komen…
Zie die blik op je rusten. Voel de ontferming, de nabijheid…
Mocht je nu niet op zo’n herinnering kunnen komen, stel je dan die keer voor dat je zelf door ontferming bewogen werd en jij iemand werkelijk zag…
Open je ogen. En dank die ervaring (handgebaar) met een glimlach.
Kijk nu opzij, links en rechts naar je buren, met diezelfde glimlach en laat de geest waaien waarheen zij wil… Zij is altijd soms.
Er zijn talloze oefeningen om niet alleen anderen, maar ook de hulpbehoevenden in onszelf te bevrijden. Niemand in het hele universum is jouw liefde meer waard dan jij, zei de Boeddha al. De eenzame, degene met liefdesverdriet, met zijn eeuwige schuldgevoel, de workaholic en ga zo maar door.
Want wie kent al die types niet als z’n eigen broekzak? We zijn hier tenslotte in het neurotische westen waar het mode is om opgesloten te zitten in je hoofdkantoor en te vergeten dat in de verdiepingen onder ons hoofd onze ware schat ligt. In ons hart. In onze buik. Daar huizen nu vaak uitgehongerde emoties die erkend en getransformeerd willen worden.
Het feit dat wij het exotische boeddhisme aan het verwestersen zijn, ziet Lathouwers juist daarom als een voordeel. Ik citeer: “Wij zullen in het diepst van ons hart een joods-christelijke gevoeligheid bewaren met diep gekoesterde emoties als verlangen, verdriet, verlies, eenzaamheid en verwarring.’
Boeddhisme en christendom kunnen elkaar heilzaam bevruchten. Lathouwers haalt in dit boek de Koreaanse theologe Hyun Kyung Chung aan. Zij voelt zich naar eigen zeggen in haar buik een boeddhist en in haar hart een christen. Herkenbaar. Ook deze theologe beschouwt Kuan Yin – die Maria uit het Verre Oosten om zo maar te zeggen – als de vrouwelijke gestalte van compassie. Maar ook als een passend eigentijds beeld voor de Heilige Geest.
Deze Heilige ‘Geestin’ wil ons dienen om ons in te laten zien dat het licht, de troosteres in ons eigen hart woont. In mannen- en vrouwenharten.
Zij, nieuwe Geestin waait waarheen zij wil en ze verleidt ons tot echt mens-zijn.
Jezus was al mens geworden. Nu wij nog.
Het is tijd om de luiken open te gooien. Net als de apostelen tijdens het Pinksterfeest, zoals het bijbelboek Handelingen beschrijft. Na de bange periode waarin ze zich verschuilden, durfden ze zich eindelijk te laten inspireren.
Kuan Yin overtuigt ons dat wij zelf in staat zijn tot vuur en liefde, tot ontferming en wijsheid. Daarom daagt zij ons uit elkaar te zegenen en aan het licht te brengen. Ze weet dat we daartoe in staat zijn.
Wie vervuld wordt door mededogen, ziet in dat dat is waar we allen naar snakken: aan het licht komen. Laten we elkaar vandaag eren en werkelijk zien.
Moge onze heilige, geestige liefde stromen waarheen zij wil.

Login of registreer om een recensie toe te voegen.